Op zoek naar een verloren klankkleur
Marcel Ponseele
Damme, 14 februari 1999


Home     Contact     Leerlingen     Leerkrachten     Bibliotheek


Dat de jaren zestig & zeventig op muzikaal terrein getekend zijn door een revival van de barokmuziek staat buiten kijf. Musici als een Harnoncourt of een Leonhardt trachtten de muziek van Bach en tijdgenoten op een historisch verantwoorde manier te brengen. Ook in Vlaanderen is deze stroming voelbaar; de gebroeders Kuyken, René Jacobs, Paul Dombrecht, Philippe Herreweghe...richtten ensembles op en beheersten de podia in binnen- en buitenland met hun eigen kijk op de muziek van de 17de en 18de eeuw. Hun benadering bestond er niet alleen in de traktaten en partituren om te zetten in klank, ook het specifieke instrumentarium werd van onder het stof gehaald en weer tot klinken gebracht.

 

  Marcel Ponseele

 

 In die tijdsgeest studeerde Marcel Ponseele moderne hobo aan de conservatoria van Brugge, Brussel en Gent; tijdens het jaarlijkse festival Musica Antiqua (Brugge) kwam hij in contact met de "barokwereld" van musici en bouwers van historische instrumenten.
Toen hij na het bestellen van een barokhobo op een wachtlijst van 3 jaren terechtkwam, zette zijn ongeduld hem aan om zelf aan de slag te gaan. Dank zij de technische hulp van zijn vader, slaagde hij erin een vrij behoorlijk instrument te vervaardigen.
Nu zijn we een goeie twintig jaren verder en wordt overal ter wereld op de hobo's van Francis, (zijn jongere broer, die na een opleiding meubelbouw en restauratie in de zaak stapte)en Marcel Ponseele gemusiceerd.

De bronnen

Vooraleer u aan de eigenlijke bouw van een instrument kunt beginnen, komt er heel wat voorbereiding bij kijken. Een bezoek aan musea leert u al snel dat er veel instrumenten bewaard gebleven zijn. De collectie van het instrumentenmuseum te Brussel is één van de grootste ter wereld. Maar hoe kunt u de kwaliteit van een origineel instrument ontdekken?
Grote namen als Denner, Rottenburgh, Stanesby ...geven u al een zekere garantie, maar in hoeverre hebben die instrumenten in de loop van de tijd geen veranderingen ondergaan? Door het verhogen van de stemming op het eind van de 18de eeuw zijn vele instrumenten aangepast maar daardoor ook verminkt. Alleen door het bespelen en door verschillende instrumenten van een zelfde bouwer te vergelijken, krijgt men een zeker beeld van het origineel.
Heeft u uw keuze gemaakt, dan maakt u een zo volledig mogelijk plan van het instrument. De afmetingen van de boring zijn van uiterst belang, maar ook de wanddikte heeft veel invloed op de klank.
Literaire bronnen in verband met instrumentenbouw uit de 18de eeuw zijn zeer schaars; naast wat iconografische gegevens uit de Encyclopédie van Diderot & D'Alembert, is er toch een werk dat het raadplegen waard is: " Le Manuel du Tourneur" van Bergeron uit 1816. Hier vindt u niet alleen alle "geheimen" van het houtdraaien, maar ook interessante recepten voor het aanmaken van vernissen en kleuren verklaard.

 

▲Top

Het atelier

Voor het bouwen van houten blaasinstrumenten is het machinepark in het atelier vrij beperkt.
Wanneer u over een goede zaag, wat vijlen en beitels en een degelijke (metaal-) draaibank beschikt, kunt u vlug aan de slag.
De gegevens van de boring worden op millimeterpapier uitgetekend en vervolgens op de metaaldraaibank omgezet in een stuk staal, die zo de precieze vorm van de boring aanneemt. Nu wordt een deel van het staal weggefreesd en wordt er een scherpe kant geslepen. Dit gereedschap heet de ruimer en wordt aangewend om de binnenkant van het blaasinstrument te vervaardigen.

De buxus sempervirens ( in de volksmond palmhout genoemd, daar op Palmzondag de takjes van de buxus in de kerken wordt uitgedeeld) is de meest voorkomende houtsoort in de blaasinstrumentenbouw in de 18de en 19de eeuw. Dit hout groeit zeer traag en is daardoor vrij hard. De klank van dit hout is warm en rijk, maar het enige probleem is dat dit hout "werkt". Daarom wordt het nu voor de moderne instrumenten met zijn talrijke kleppen niet meer aangewend.
Andere houtsoorten zoals grenadil en ebbenhout werden dan meer gebruikt voor luxemodellen: het exotisch hout met ivoren ringen en zilveren of vergulde kleppen.
De buxusstammen worden in blokjes gezaagd en na vele jaren van drogen worden ze cilindrisch gedraaid en van een gat over de hele lengte voorzien.
Nu wordt het hout gedurende 24 uren in voorverwarmde lijnzaadolie gelegd waarna het na maanden rusten wordt verwerkt. Eerst wordt door middel van de ruimer de conische boring gemaakt; daarna wordt de buitenkant gedraaid en geschuurd. Nu volgt het boren van de vingergaten en het monteren van de kleppen. Deze worden vervaardigd uit een plaat messing of zilver waarop de klep afgetekend en uitgezaagd wordt.
Vele blaasinstrumenten werden in de 18de eeuw gekleurd. In de "Manuel du tourneur" vinden we verschillende recepten op basis van salpeterzuur terug; doordat het zuur het hout verbrand, krijgt het een diepwarme roodbruine kleur.
Het definitief stemmen van het instrument kan nu gebeuren. Door de diameter van de vingergaten te veranderen of door het ondersnijden van die gaten wordt niet alleen de intonatie maar tevens de klankkleur beïnvloedt. Ook is de embouchure (mondgat) bij de traverso en het riet bij de hobo zeer bepalend bij de toonvorming.

▲Top

Modellen

In het atelier van de gebroeders Ponseele worden vooral hobotypes, maar ook fagotten gebouwd.
Naast de barokhobo in C, een kopie naar T. Stanesby (+ 1720), vindt u er ook de oboe d'amore. Dit instrument in A heeft een peervormige klankbeker; de toon wordt als het ware door de bolle vorm omsloten, wat de klank liefelijk maakt, vandaar de naam "amore". In tal van cantates en passies van Bach kunt u dit prachtig instrument beluisteren samen met de vrij exotisch ogende Oboe da caccia in F . Door zijn gebogen corpus en de metalen klankbeker heeft het veel mee van een signaalhoorn die tijdens de jacht (in het Italiaans "caccia") werd gebruikt. Door het instrument te buigen, komt het dichterbij het lichaam wat minder spanningen in de schouders en de vingers van de speler geeft. Om het gemakkelijk te kunnen buigen is er gebruik gemaakt van een zachtere houtsoort nl. esdoorn. De Oboe da caccia wordt eerst gedraaid net als de hobo maar wordt dan later ingezaagd op de achterkant, gebogen en gelijmd en wordt dan met leder bekleed teneinde alle schoonheidsfouten te camoufleren. Dit instrument is in onbruik geraakt daar als het eenmaal gebogen is niet meer nageruimd kan worden. Een nieuw model werd ontwikkeld waarbij het eerste en tweede deel door middel van een elleboog met elkaar is verbonden. Dit brengt eveneens het instrument dichter bij het lichaam maar heeft als voordeel dat naruimen mogelijk blijft. Dit instrument kreeg als naam "cor Anglais"(engelse hoorn) wat een verbastering is van corps anglé (een gehoekt lichaam). Tot de eerste helft van de 19de eeuw werd de engelse hoorn gebogen maar dank zij een vernuftig kleppensysteem moet die omslachtige procedure niet meer toegepast worden.

▲Top


Het waarom?

Waarom zich toeleggen op oude instrumenten, terwijl de moderne instrumenten een veel hogere graad van perfectie bereikt hebben? Inderdaad, waarom nog langer sukkelen met zeer ingewikkelde vingergrepen en primitieve klepjes! ? ! Om die gedrevenheid nader te verklaren moeten we even de geschiedenis induiken.
Tot de 17de eeuw was de hobo een vrij luid instrument dat vooral tijdens openluchtmanifestaties ter gehore werd gebracht. De Grieken kenden de aulos, de Romeinen de tibia; door de kruisvaarders werd de schalmei in onze gewesten geïntroduceerd. Lodewijk XIV had een militaire kapel bestaande uit 6 hautbois, 3 tailles (hobo in f) en 3 fagotten. Hij beschikte eveneens over een strijkorkest "les 24 violons du roi". Om die twee groepen te laten samenwerken was er echter een akoestische ingreep nodig om de zeer luide blazersgroep met de zoetgevooisde violen te laten versmelten.
De gebroeders Hotteterre (2de helft 17de eeuw) zijn aan het experimenteren geslagen en hebben de schalmei omgebouwd tot de barokhobo. Door de stemming van de schalmei (A=465') te verlagen naar A=392' wordt de toon zoeter en mengt de klank zich beter met andere instrumenten.
Eind 17de en begin 18de eeuw treffen we overal in Europa Franse hoboïsten aan. Bach componeert de mooiste aria's, Händel maakt er dankbaar gebruik van in zijn opera's en oratoria . Vivaldi schrijft een 40tal concerto's...
Maar in de tweede helft 18de eeuw wordt de stemming hoger (A=430') (is dit een gevolg van de spanningen in de wereld? de Franse revolutie? en moeten er nieuwe instrumenten gebouwd worden. De barokhobo met zijn brede boring (nauwste punt 6,2 mm) wordt vervangen door een slankere hobo met een nauwere boring (nauwste punt 4,5 mm). De ronde klank van de barokhobo moet plaats maken voor het nasalere geluid van de klassieke hobo. In de klassieke hoboliteratuur is duidelijk te merken dat dit instrument minder door de componisten geapprecieerd werd. Na Mozart is er weinig of geen solomuziek voor hobo geschreven. De hele 19de eeuw is één en al experiment op blaasinstrumentengebied; de fluit wordt helemaal herzien door Th. Boehm, de klarinet leidt A. Sax naar de saxofoon. Alleen de hobo raakt niet uit zijn isolement. Slechts op het einde van de 19de eeuw wordt de hobo weer als volwaardige partner gezien. De vrij scherpe toon wordt door volle kleppen afgedekt.
De oorzaak van het grote probleem waar ze een eeuw lang mee geworsteld hebben, lag bij het verhogen van de stemming. De boring van het model na de barokhobo was quasi authentiek aan de middeleeuwse schalmei; de aanpassing van het barokke kamermuziekinstrument naar de klassieke hobo was dus niet echt een succes te noemen maar we kunnen veeleer spreken van een stap achteruit.

De ingetogen klankkleur van de barokinstrumenten heeft vele musici aangesproken. De magische tonen hebben een enthousiast publiek ingepalmd. Op de cd.markt kennen de opnames met historische instrumenten enorme successen ...Het rijke kleurenpallet waar de grootmeesters, denken we hier in de eerste plaats aan J.S. Bach, mee werkte is gedeeltelijk herontdekt.

Dat ik, kleine Vlaming, via mijn concerten en instrumenten aan die ontwikkeling kan meewerken, vervult mij met een diepe vreugde en een groot respect voor het verleden.

Marcel Ponseele
Damme, 14 februari 1999

▲Top