Leon Goossens


Home     Contact     Leerlingen     Leerkrachten     Bibliotheek


 

Biografie

Leon Goossens is afkomstig uit een erg muzikale familie (zie  stamboom). Na een tijdje pianoles te hebben gevolgd, begon hij op achtjarige leeftijd hobo te studeren bij Charles Reynolds. Nauwelijks twee jaar later maakte hij zijn professionele debuut. Vanaf 1911, dus amper 14 jaar oud, studeerde hij dan bij William Malsch aan het Royal College of Music. Hij werd benoemd tot eerste hobo van het Queen's Hall Orchestra toen hij 17 was. Na de Eerste Wereldoorlog, waarin hij als soldaat gewond was geraakt, keerde hij terug naar het Queen's Hall Orchestra, later naar Covent Garden in 1924, waar hij af en toe de orkestrepetities leidde wanneer vaste dirigent Beecham te laat arriveerde. In datzelfde jaar werd hij aangesteld als professor hobo aan het Royal College of Music (tot 1939) en de Royal Academy of Music (tot 1935), beide in Londen. Onder zijn leerlingen bevonden zich MacDonagh Terence, Marx Joseph, Gipps Ruth, Evelyn Rothwell...

Daarnaast speelde hij in het Royal Philharmonic Society Orchestra en in het London Philharmonic Orchestra dat pas in 1932 werd gesticht. Ondertussen had hij ook al heel veel werken solo gespeeld en zo een heel goede reputatie gekregen. Als erkenning van zijn uitzonderlijke talent schreven heel wat belangrijke Engelse componisten voor hem: Bax, Bliss, Britten, Elgar, Vaughan-Williams...

In juni 1962 sloeg het noodlot toe: Leon Goossens werd ten gevolge van een ernstig auto-ongeluk heel erg verwond aan zijn tanden en lippen. Maar hij vocht zich terug en ontwikkelde een volledig nieuwe techniek, en al rond 1966 pikte hij de draad van zijn carrière weer op. Hij bleef hobo spelen tot hij een stuk in de 80 was.

 

Betekenis

De voornaamste bijdrage van Goossens aan de hobo was dat hij de toon veel verfijnder en zachter had gemaakt en daardoor tot een nieuwe flexibiliteit en expressie kon komen. Hij word ook beschouwd als één van de eersten die echt systematisch middenvibrato toepaste. Zijn toon, met bijhorende vibrato, werd nagestreefd door zijn studenten, en vandaar wordt hij beschouwd als stichter van een Engelse hoboschool. Goossens stelde dat "one should be able to switch it on or off according to the character of the music as well as being able to determine the speed of the cycles", waarmee hij meteen de instrumentisten hekelde die continu vibrato toepasten.

Ook op andere instrumentisten had zijn gebruik van vibrato invloed, bijvoorbeeld klarinettist Reginald Kell, die door zijn eigen expressieve gebruik van vibrato, een nieuwe stijl van klarinetspel tot stand bracht.

Opmerkelijk was dat hij als professionele hoboïst nauwelijks zelf rieten maakte, maar ze altijd in Liverpool haalde bij een professionele rietenkrabber, Thomas Brierley. Hij speelde zowat zijn ganse carrière op een Lorée uit 1907.

Leon Goossens voelde zich ook thuis in het lichtere genre. Zo trad hij op met de "Ciro's Club Dance Band" en het "New Mayfair Dance Orchestra".

Samen met hoboïst Edwin Roxburgh schreef hij op 82-jarige leeftijd het boek "Hobo" (uitgegeven door Strengholt als nummer 4 in de reeks Yehudi Menuhin, in het Nederlands vertaald onder de supervisie van hoboïst Han de Vries), waarin aandacht besteed wordt aan de geschiedenis van het instrument, de rietenbouw, repertoire, maar ook aan verschillende aspecten van het hobospelen, zoals embouchure, houding, adem, toonkwaliteit, vibrato, techniek (ook hedendaags)...

Heel wat gekende componisten hebben werk opgedragen aan Leon Goossens: Britten (Phantasy Quartet), Elgar (Soliloquy), Vaughan-Williams (Hoboconcerto), Bax (Hobokwintet), Jacob (Concerto), Arnold (concerto), Richardson (French Suite)...

 

▲ Top

 

Het hoboconcerto van Eugène Goossens

Het hoboconcerto van Leons broer Eugène verdient toch een speciale vermelding in dit rijtje werken. Het werk, daterende uit 1927, was eigenlijk gecomponeerd met de bedoeling gecreëerd te worden op het eerste concert van Leon in de Verenigde Staten (naar het schijnt ook het allereerste concert waarop een hobo als solist te horen zou zijn). De première van het werk moest uitgesteld worden voor een concert in Boston in februari 1929, maar toen bleek de orkestratie nog steeds niet af te zijn, zodat Eugène zijn broer Leon op de piano moest begeleiden. Uiteindelijk werd het werk dan toch gecreëerd op een Promenade Concert in 1930, gedirigeerd door Sir Henry Wood. Het kende zo veel succes, dat Eugène, toen de Philharmonic Society hem een concert aanbood met op het programma o.a. dit concerto, hij zjn beklag deed: "...ik vind het heel tof om mijn broer als solist naast mij op het podium te hebben, maar mijn hoboconcerto is al zo 'platgespeeld' in Londen." Ironisch genoeg wordt het werk vandaag de dag, net als alle andere werken van Eugène, nauwelijks nog gespeeld.

Het werk bestaat uit één deel en verkent het kleurenpalet en de technische mogelijkheden van het instrument. Zelfs Leon zelf deed op een bepaald moment zijn beklag over het feit dat het zo moeilijk was. De cadens, die zou gebaseerd zijn op Leons opwarmingsoefeningen, wordt ondersteund door de tamtam. Op het hoogtepunt van zijn carrière kon hij het concerto uiteindelijk opnemen onder Walter Susskind in april 1948.

▲ Top

Documentatie

Met dank aan Jeremy Polmear, die deze waardevolle documenten uit zijn website ter beschikking stelt van de hobotheek!

 

Leon Goossens had drie dochters, Benedicta, Jennie en Corinne. In dit artikel haalt actrice Jennie Goossens enkele herinneringen op aan haar vader.

Leon Goossens - a memory of my father
 
 

Leon was a wonderful father. He was away a lot when we were children - on tour abroad or playing to clubs in far-flung corners of the British Isles, but when he was at home he was great for doing all the childhood things that he had never had the chance to do himself. He had to wait until he joined the cavalry in the First World War to ride horses, but he gave them to us as children, and the model trains and later the farming were all extensions of his earlier yearnings. There was very little talk of music as such within the house, nor did we hear an enormous amount, which always amazes people. "It must have been awful trying to keep quiet while your father practised", other musicians' children would say to me, but I never knew what they meant - he never did practise, as far as we knew! We were taken to the occasional concert, and had to do embarrassing things like turning pages for accompanists and on one memorable day, holding Dame Myra Hess's hot-water bottle during a concert at the Dome in Brighton! Unfortunately people assumed that we were as musical as the rest of our famous family, and when asked our name we would brace ourselves for the inevitable "and what do you play?" as their eyes gleamed with eager anticipation.

I longed, as a child - and particularly as an awkward teenager - to be called Smith or Brown, to blend into a background of anonymity, safe from invasive questioning. Not to stand out or be different was my aim; so what did I opt for as my chosen career? Why, the stage, of course! I was firmly told by my music teacher that I lacked the voice for opera - my first choice, and one that you would have thought any imaginative person would have hurriedly encouraged, given my much-vaunted pedigree. So I therefore settled for acting, which my parents were pleased to encourage, and which I hope in later years gave them some moments of pleasure and pride.
 

The power that my father had to give pleasure was tremendous. The expression that came on people's faces when they met him - whether at tiny music clubs or at major concert halls - showed such warmth and true affection. I don't think he ever had to book a hotel when he was playing away from home. His address book listed A for Aberdeen to Z for Zambia; this then told him who he could stay with in whichever town or city he was currently visiting. He was a very great humourist, and his timing was matchless; many people would have been quite happy to come to his concerts just to hear him tell his stories. 

His own childhood and that of his brothers and sisters was a mixture of extremely hard work and the occasional lovingly-remembered holiday, and things were light-years away from the world that our children inhabit today. Then, he and his brothers and sisters were left in charge of their mother when Grandpa Goossens was away on tour with the Carl Rosa Opera Company, and the regime was extremely strict. The practising had to be done, and done thoroughly - sometimes until his lips bled - and if he stopped there would be a knock on the on the floor from the ceiling below; "Come on, come on." Those children didn't just naturally become musicians. There was an iron discipline behind every one of them. Not for them the distractions of today - television and pop stars. There was the cinema, but as my Aunt Marie once said to me "There was never any time to go to the pictures - we were too busy working".

Now, as a grandmother myself, I avidly search for signs of talent in the new generation, but their interests are different and I feel that The Goossens as a musical dynasty is at an end. My father's century went from the horse-drawn tram to the moon-landings, and he had a passionate interest in it all. He gave me more than I would ever have guessed possible in those early years, and the most precious gift of all - my love of music in all its glorious variety.
 

▲ Top